Interview Kees Holierhoek

Interview Kees Holierhoek KEES HOLIERHOEK IS een van oprichters van Stichting Lira. Hij heeft Nederlandse taal- en letterkunde gestudeerd, schreef proza, scenario’s, hoorspelen en toneelstukken. Vele (literaire) prijzen zijn hem toegekend, in 2002 is hij benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau en in 2008 kreeg hij de ANV-Visser Neerlandia-prijs voor het behartigen van de belangen van schrijvers in Nederland.

Sinds 1986 bent u voorzitter van Lira. Waarom is Lira destijds opgericht?
In het jaar van Lira’s oprichting, in 1986, vormden kabelrechten de directe aanleiding om tot collectief beheer van rechten van vooral scenarioschrijvers over te gaan. Tot dan toe had sinds door de rechter was vastgesteld dat kabelexploitanten makers en producenten voor de gelijktijdige kabeldoorgifte van werken moesten betalen, Buma die taak uitgevoerd. Het is dus allemaal met kabelrechten begonnen.

 Inmiddels bestaat Lira al bijna een kwart eeuw. Wat is de grootste ontwikkeling die Lira heeft doorgemaakt?
Ongetwijfeld is de aanwijzing van Lira als verdeelorganisatie voor het leenrecht van schrijvers en vertalers de eerstvolgende belangrijkste stap in de ontwikkeling geweest. Ook een erg gecompliceerde stap met meteen meer dan 300.000 titels die miljoenen keren in openbare bibliotheken werden uitgeleend. Maar het vormde wel meteen ook een stevige tweede pijler onder Lira’s ontwikkeling.

Welke rol ziet u weggelegd voor Lira in de toekomst?
Voor mij staat vast dat Lira vooral ook op digitaal niveau een belangrijke uitbreiding van taken te wachten staat. Ik ben als voorzitter van de werkgroep digitale rechthebbenden druk doende regelingen te treffen op de randgebieden, zoals erfgoedprojecten bij de Koninklijke Bibliotheek en bij andere bibliotheken. Heel specifieke projecten. Maar uiteindelijk zal het toch moeten gaan om de auteursbelangen ten aanzien van het hele gebied van de digitale distributie van teksten en op teksten gebaseerde audiovisuele producties. Daarbij denk ik dat Lira’s grondregel, dat wij graag willen doen wat de auteur zelf redelijkerwijs niet kan doen, een vruchtbaar richtsnoer zal blijven. Want er komt op digitaal terrein steeds meer wat een individueel auteur niet zelf meer bij kan houden.

 Welk advies kunt u geven aan beginnende auteurs?
Een beginnend auteur die enig succes heeft, komt voor een belangrijke keus te staan: alle tijd aan schrijven besteden, of enig vast inkomen verwerven en daarnaast schrijven. Dat is een keus die veel met iemands karakter te maken heeft en gelukkig stelt zich dat probleem vaak niet in één keer. Ik heb indertijd voor het eerste gekozen en het is me vele jaren gelukt, mede dankzij de inspanningen van auteurs die aan mij vooraf zijn gegaan en die modelcontracten hebben bevochten en modelregelingen dóór hebben weten te drukken. Ik zou me dus als beginnend auteur een hoop laten leren door lid te worden van de beroepsvereniging en toepasselijke collectief-beheerorganisaties.

U bent zeer actief in allerlei bestuursfuncties van diverse auteurs- en auteursrechtenorganisaties en won vele (literaire) prijzen. Welke eer is er voor u nog te behalen?
Je motivatie om dit soort bestuurlijk werk te doen, moet in jezelf zitten, niet in wat je voor jezelf nog zou willen bereiken. Externe erkenning is leuk, maar je krijgt ook externe kritiek te verstouwen en die is soms extreem hard, doet soms écht pijn, en je moet je dus niet afhankelijk maken van toegezwaaide lof of blaam.
Ik stel er een eer in om – sinds Lira besloten heeft samen te gaan met Nieuwswaarde – ook voor freelance journalisten redelijke regelingen voor elkaar te boksen en voor literaire, audiovisuele én journalistieke auteurs straks vooral op het digitale vlak de belangen van auteurs in de ruimste zin des woords veilig te stellen.

Hoe ziet u de toekomst van het schrijversvak tegemoet met het oog op digitale ontwikkelingen?
Dat is voor iedereen – behalve voor de digitale profeten – nog een vraag. Maar een vraag die al duidelijk aan het eind van de vorige week speelde, toen in 1997 een werkgroep van de Vereniging van Letterkundigen (VvL) onder mijn voorzitterschap een nieuwe structuur voor de vereniging bedacht. Uit onderzoek dat we toen verricht hebben, bleek een steeds toenemende differentiëring van schrijfwerkzaamheden in één persoon. De aard van de werkzaamheden vertoont een toenemende variatie. Er worden steeds meer uiteenlopende inkomstenbronnen aangeboord om het hoofd boven water te houden. Ook komen er steeds meer verschillende media om in te publiceren of openbaar te maken. Tot slot vallen er belangrijke veranderingen te bespeuren in de organisaties die auteursrechtelijk relevante producten vervaardigen.

Enerzijds zijn dit grootschalige lichamen die aanzienlijke financiële investeringen kunnen opbrengen. Anderzijds ontwikkelen zich kleinschaliger lichamen die onder meer via internet zeer gespecialiseerde producten aanbieden. Elk van deze soorten organisaties gaat anders om met auteursrechthebbenden (freelance opdrachten aan individuen of collectieven, loondienst).

En dat alles leidt tot nieuwe producten die er zonder schrijvers en vertalers niet zouden zijn. Tegenover uitgevers en andere producenten staat Lira niet als concurrent, maar als vertegenwoordiger van het ook door hen erkende belang van de auteur. Dat leidt vaak tot samenwerking, soms voorafgegaan door enig kortdurend spervuur. Hoe dan ook, op dat nieuwe terrein, net als op het oude, moeten we samen een weg zien te vinden.